vakantiefoto
Winnend voordeel in de opening: een blijvertje?
Hoe winnend is winnend? Zijn computerevaluaties betrouwbaar?OK, ik dacht dus om in het OLH-weekend veel te posten, maar het werden vier relaxte dagen, waarin ik vooral veel gelezen heb, aangevuld met het volgen van het Vlaams kampioenschap en een dagje Brugge. Dat dus in plaats van een vierdaagse vakantie in Boergondië, die we niet lieten doorgaan wegens het belabberde weer. Er restten me enkel herinneringen aan betere tijden en beter weer (ik had een link met de foto nodig - bij gebrek aan een goede schaakfoto over openingsvoordeel). Daarom dus deze kleine inhaalbeweging, er komt nog een vervolg over middenspelvoordeel en eindspelvoordeel.
Sinds we programma’s hebben, en vooral sinds Alpha Zero, waarbij stellingen niet meer volgens vaste criteria, maar volgens winstpotentieel worden gequoteerd, hebben we nu ook een kwantitatieve beoordeling van die evaluaties. “=” is 0,00; “±” begint aan 0,7 en “+-“ is alles boven 1,6 (of zoiets) - sommige programma's (er is actueel een wildgroei aan Stockfish-clonen) geven zelfs dat percentage, in plaats van de klassieke evaluatie.
Waar de quotering van computerprogramma’s vroeger (jaren 80 & 90 van vorige eeuw) eerder discutabel was (want sterk afhankelijk van zoekdiepte en de handgetunede evaluatiefuncties), en er aldus stellingen bestonden met een +2 (of hoger) oordeel, die nooit verzilverd konden worden (zoals verkeerde loper met randpion, of een vesting), is dat nu anders. Maar nog altijd kunnen de evaluaties misleidend zijn.
Een mooi voorbeeld op dat vlak, maar dan in de opening, is de Keres-aanval, die volgens SF18 in lichess wit na 6.g4 een voordeel geeft van 0.4 à 0.5. Als je weet dat SF17 in de beginstelling wit +0.2 geeft, dan lijkt een “gratis” 0.2 à 0.3 extra voordeel amper zes zetten later al een mooie plus. Maar na het doorlopen van enkele hoofdlijnen, blijkt dat voordeel langzaam te verdampen. Zoals Kasparov en Nikitin in hun boek The Sicilian Scheveningen (Batsford 1983) schrijven: “Even without examination, however, of all the fine points of the Keres Attack, one can conclude a priori that the thrust of the g-pawn cannot decide the battle, since Black’s first five moves are a logical and natural system of development.” Of zoals elke beginnende schaker uiteindelijk beseft: er bestaat geen wonder-opening in het schaken, die geforceerd wint voor wit.
In een oude hoofdvariant van de klassieke Caro-Kann zit een lijntje dat wit volgens SF alleen maar beter wordt, naarmate je dieper in de variant doordringt. Na 1. e4 c6 2. d4 d5 3. Nc3 dxe4 4. Nxe4 Bf5 5. Ng3 Bg6 6. h4 h5 7. c3 Nd7 8. Nh3 e6 9. Nf4 Ne7 10. Nxg6 Nxg6 11. Nxh5 ik ben geen kenner van de Caro-Kann, maar een gratis pion en dan nog een oordeel van +1.70 (31/62) volgens SF18 na 11 zetten, lijkt me toch niet slecht. En toch werd dit veel gespeeld blijkbaar: het livebook van Fritz vermeldt hier 125 voortzettingen. Chessbase zet me dan weer met de voeten op de grond: niemand speelt dit nog: de laatste partij was De Armas-Jensen uit 1990. De variant is "busted" en het is zelfmoord om hier nog met zwart op in te gaan.
Een ander voorbeeld is de variant 1.e4 c6 2.d4 d5 3.Pc3 dxe4 4.Pxe4 Pf6 5.Pxf6+ gxf6: dit is +0.91 (38/62), en inderdaad, daar waar dit vroeger gespeeld werd door Bronstein, Larsen, Spraggett, Seirawan en Short, schrikt de computerevaluatie moderne speler af, bevreesd voor een computerweerlegging van 20 zetten diep.
Ik blijf bij de Caro-Kann: ook de drama-partij Deep Blue-Kasparov (CK met Pxe6) lijkt “gewonnen” voor wit (Helmut Froeyman leerde me dat het niet zo eenvoudig is) , maar er zijn tegenvoorbeelden uit de IM/IGM praktijk, waar zwart gewoon wint. De verdediging is inderdaad moeilijk voor zwart, maar niet onmogelijk. Dat wordt ook geïllustreerd door computerpartijen, waar de witte score wel zeer hoog is, maar niet 100%.
Ook de bescheiden Owen-verdediging is zo’n schijnbaar “verloren” opening. Na 1.e4 b6 2.d4 Lb7 3.Ld3 lijkt wit in een zetel te zitten met +0.92 voordeel (40/67), maar een knappe kop die dit voordeel een hele partij met wit kan vasthouden en uitbouwen. Volgens mijn oude databank uit 2018 wit wit 51,4% van de partijen, bij 22% remises. Dat lijkt me niet zo verschillend van andere openingen. Akkoord, toppers halen dit enkel boven als verrassingswapen in blitz, maar Pavel Blatny heeft er een goed gepolijst wapen van gemaakt, en scoort ermee volgens zijn rating (+30,=17,-17 voor zwart). Gezien hij het zo vaak speelt, is het geen verrassingswapen meer en weten zijn tegenstanders dat hij met 1...b6 kan openen, wat zijn prestatie des te opmerkelijker maakt – een knap voorbeeld van “linkshandigheid”.
Een ander voorbeeld is een oude variant van het middengambiet, waarin niets aan de hand lijkt, maar waar in het verleden wit in computer-computer programma’s een monsterscore opbouwde. Je kan vraagtekens zetten bij diverse zetten van zowel wit als zwart, maar vroeger was het dus zo duidelijk niet. SF18 beoordeelt de stelling na 13.Dg7 op +1.63 (40/78), maar vroeger gingen programma’s met zwart vlotjes deze variant binnen en verloren kansloos, omdat het horizoneffect de zwakte van de zwarte stelling verbloemde.
Of wat te denken van deze (nog actuele) hoofdvariant in de draak.
Na de 9de zet van zwart garandeert SF18 een voordeel van +1.36 (37/72) met de zet 10.g4, maar we weten allemaal dat als er één evaluatie is van een opening die we niet zeker zijn, het de Siciliaanse draak is.
Wijlen Vugar Gashimov was een aanhanger van de Benoni, wat in moderne tijden nauwelijks nog in een toptornooipartij op het bord verschijnt, maar hij schrok er niet voor terug om dit met zwart te brengen. Hij behaalde er 51/87 mee (met zwart dus) en won ermee o.a. van Grischuk, Vallejo Pons, Sargissian, Meier en Korobov. Na de standaard openingszetten 1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.Pf3 c5 4.d5 d6 5.Pc6 exd5 6.cxd5 zegt de computer +0.69 (36/63) voor wit, maar in zijn partij tegen Grischuk stond zwart na 15 zetten gelijk en na 20 zetten veel beter. Begrip van de stelling blijft belangrijker dan dat 0.15 theoretisch voordeel.
Je kan argumenteren dat in het huidige, door computers doordrongen topschaak, Gashimov geen Benoni meer zou spelen, maar als je ziet wat Carlsen in Malmo (TePe Sigeman & Co) deed in de tweede ronde tegen Grandelius, het leek er toch wel heel sterk op.
Nog een uitsmijter, maar dan van het andere eind van het historische spectrum: in de partij Morphy-Boden (London 1858) had Morphy na 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 Lc5 4.c3 De7 5.0–0 f6 6.d4 Lb6 7.Pa3 Pd8 8.Pc4 Pf7 een voordeel van +4.30 (36/72) in handen, maar slaagde er niet in de winnende voortzetting (9.Da4 Kf8 1.Le3 d6 11.Pxb6 cxb6 12.Pd2 op het bord te zetten en ging een andere weg op met 9.Pe3, waarna zijn voordeel uiteindelijk verwaterde. Hiervoor kunnen diverse redenen aangehaald worden. Het Spaans begon toen net opmars te maken, en de correcte wegen waren nog lang niet geplaveid. Morphy zelf begon de opening te appreciëren na zijn eerste matchen in Engeland. Bovendien was dit een trainingspartij, waarin behalve de eer niet veel op het spel stond – Morphy was toen nog altijd bezig om de gaten in zijn repertoire te dichten en zijn algemene spelpeil op de hoogte te brengen van de Europese elite (hij had net een aantal partijen tegen Thomas Barnes achter de rug, die hij na een moeizame 5-5 start in zijn voordeel kon draaien met 19-7).
Een objectieve computerevaluatie van “bijna winnend” is net als in een eindspelboek lezen “en de rest is techniek”. Als je de stelling niet begrijpt, dan heb je 1-2 zetten een mooie plus in handen, maar die kan op slag verdwijnen. Dus neen, zelfs in deze tijden biedt een +1.5 of soms zelfs een +2 in de opening geen garantie op winst – tenslotte, er moet nog een hele partij gespeeld worden.