eigen foto
Trofeeën: lust of last?
Een trofee: leuk verzamelobject zonder waarde - of kan het anders?Toen ik in corona-tijden tweede werd in de open reeks van de Antwerpse liga, kreeg ik een som geld in de handen gestopt, dat ik nog nooit na een schaakwedstrijd had ontvangen. Het was ergens iets in de orde van 150 EUR of zo. Zelfs mijn gedeelde derde plaats in de liga van dit jaar leverde me nog 60 EUR op.
Ik kom uit een periode waarin trofeeën standaard waren als je een tornooi won. In de West-Vlaamse liga zorgde Albert Van Camp zaliger voor een rijkgevulde tafel met schaakboeken. Dat waren zowat de standaard prijzen, zowel in clubverband als in ligaverband. De financiële beloning voor een occasionele titel in interclub ging naar de clubkas.
Ik geef toe dat geld misschien wat “goedkoop” is als beloning voor de organisator (gewoon een deel van het inschrijvingsgeld terug uitkeren – geen zoektocht naar een subjectief mooie trofee), maar anderzijds levert een trofee wel foto’s op met uitstraling. Het is ook nog een diep gewortelde gewoonte in andere sporten, van voetbal, over formule 1, over wielrennen, olympische spelen, zeilen, darts, ... noem maar op.
Jules Welling schreef hierover één van zijn betere stukjes: hij feliciteerde ooit eens Shirov met de mooie trofee, die deze gewonnen had. Tot zijn verbazing kreeg hij meteen de trofee in handen gestopt. Het was een wijze les: op de hele terugreis (per trein) werden hem selfies, handtekeningen, handen schudden, ... gevraagd. Immers – met zo’n grote trofee, dan moest je wel een grote kampioen zijn in “iets”. Belangrijkheid (laat staan grootsheid) straalt af op je omgeving, en mensen staan nu eenmaal graag in de zon.
Van grote sporters vraag ik me soms af of ze trofee 14 of 37 nog leuk vinden. Misschien wel, misschien niet - het zal wel afhangen van je ambitieniveau. Het zijn sowieso mooie aandenkens, en net als de foto’s die wij, schaakongewervelden, nemen op vakantie, zijn het stockageplaatsen voor herinneringen. Ze staan mooi op een rij in een trofeeënkast, en maken indruk op bezoekers, maar net als standbeelden buiten zijn het ook prima stofverzamelaars en wat is uiteindelijk de restwaarde?
Ja, er zijn sporters die hun medailles of trofeeën hebben verkocht – denk maar aan Boris Becker, die toen even aan de grond zat. Of de Poolse speerwerpster Maria Andrejczyk, die haar zilveren medaille van Tokyo 2020 verkocht, om met de opbrengst een hartoperatie van een Pools jongetje te financieren (de koper gaf achteraf de medaille terug aan Maria). Eind 2025 werd bekend dat Ryan Lochte – één van de allerbeste zwemmers ooit (hij had alleen de pech dat hij in dezelfde periode zwom als Michael Phelps) – een deel van zijn zijn medailles wou verkopen. Zes medailles zouden meer dan 150.000 USD opbrengen voor goede doelen.
Dus helemaal waardeloos zijn trofeeën niet, alleen moeten er wel grote prestaties achter staan. Mijn messing schaaktoren als niet-gekwoteerde deelnemer van het Ieperse Kattentornooi eind jaren ’80 is ook alleen maar het metaal waard. Ook die houten toren op een marmeren voetje, tinnen borden of halve kunstwerken waar je je nu van afvraagt wat er ooit mee bedoeld werd, zijn de rit naar het containerpark of de kringloopwinkel financieel niet waard.
Maar kunnen er geen “echt waardevolle” trofeeën gegeven worden? Op de site van Umicore zie ik dat een gram goud een kleine 200 EUR waard is. OK, een spectaculaire foto zal het niet opleveren (toch niet zoals die foto waarop Ivanchuk een gigantisch grote cheque kreeg, en die daarna probeerde op te plooien om mee te nemen naar de bank), maar het dingetje houdt zijn waarde.
In schaken gaan geen grote bedragen naar trofeeën, maar in “grote sporten” zou een echte edelmetalen cup niet misstaan. Sommige sporten hebben die al. Voor voetbal wordt de gouden FIFA World Cup geschat op 20 miljoen USD. De Europacup 1 beker is volledig zilver en weegt 11 kg, maar de winnende club krijgt een copie van verzilverd messing.
In paardenrennen schat men de Woodlawn Vase op 4 miljoen dollar en de Cricket World Cup Trophy wordt op eenzelfde bedrag geraamd. De zilveren Stanley Cup (ijshockey) is “slechts” 650 USD waard, maar de historische waarde is veel groter. Hetzelfde voor de Borg-Warner Trophy van de Indy 500 autorace – het zilver is zo’n 80 kUSD waard, maar de veilingwaarde is zo’n 3,5 miljoen USD. Nog zo’n trofee waar de symbolische waarde veel groter is dan de werkelijke waarde, is de America’s Cup trofee (de Auld Mug), een zilveren schenkvaas, die amper zo’n 10 kUSD waard is, maar die elke multimiljonair in zijn kast wil hebben, omdat de America’s Cup nu eenmaal de meest prestigieuze zeilwedstrijd ter wereld is, en zeilen nu eenmaal de duurste hobby is waar je je met je vele geld kan inkopen (naast paardenrennen misschien).
De olympische medailles bevatten echt goud (minstens 6 gram 24k goud): een laagje over een zilveren kern, wat een waarde tussen zo’n 1000 en 2000 EUR oplevert. Vroeger (voor 1920) was het nog beter: toen was de hele medaille van goud. Een zilveren medaille is volledig massief zilver, en zou je dus kunnen beschouwen als “echter” dan een gouden medaille. Het verschil met een bronzen medaille is dus enorm: zo’n bronzen medaille kost slechts enkele euro’s.
De vraag is of schakers zo’n geldelijke trofee (een plakje of medaille in goud of zilver) wel zouden appreciëren (en verkiezen boven een gewone trofee of een enveloppe met cash). Een trofeeënkast vul je niet met een paar schilfers goud, en je moet er verdorie goed op letten waar je het kleinood opbergt.
Ik maak me geen illusies – schaken is een sport die het continu moeilijk heeft om geld aan te trekken – dus waardevolle trofeeën moeten we niet verwachten in de nabije toekomst.